De geschiedenis van openluchtspelen in Oisterwijk.

In 1912 werd in Oisterwijk een nieuwe culturele vereniging opgericht: de Katholieke Vereniging 'Kunstkring Omhoog'. Deze vereniging legde zich de eerste jaren vooral toe op het spelen van de zeer bijbels getinte toneelwerken van Vondel. De eerste opvoeringen, "Jozef in Dothan" en "Peter en Pauwels" werden ten tonele gebracht in de zaal van hotel Wilhelmina aan de Dorpsstraat, eigendom van mevrouw Sanders. Deze voorlopige accommodatie bleek echter ontoereikend. Er werd naar een nieuwe zaal uitgezien. Het was de Christelijke Noordbrabantse Boerenbond afdeling Oisterwijk die de helpende hand toestak door een gedeelte van het pand van mevrouw Sanders, gelegen aan het Stationsstraat, aan te kopen en in bruikleen af te staan aan de Kunstkring.

In augustus 1914 werd de nieuwe zaal gevorderd door het ministerie van oorlog voor inkwartiering van troepen. Deze duurde tot 6 november 1915, zodat de kunstkringers gedwongen werden hun activiteiten in de buitenlucht voort te zetten.
Het zou te ver voeren om dit als enige reden te zien voor het ontstaan van de openluchtspelen, immers de plannen daarvoor lagen er al vanaf 1913 . De nieuwe situatie had wel tot gevolg dat de plannen versneld werden gerealiseerd.

Het jaar 1915 zag de geboorte van Brabant's eerste openluchtspel, opgevoerd aan het Radven op het landgoed de Hondsberg in de Oisterwijkse bossen. Liefst 20.000 bezoekers zagen in het eerste openluchtseizoen het stuk "De verloren zoon". Desondanks werd het seizoen besloten met een negatief saldo van enkele guldens, voor een groot deel te wijten aan het overwegend slechte weer die zomer. Daar stond tegenover dat de Oisterwijkse Kunstkring een landelijke bekendheid verkreeg, die op den duur zeker in haar voordeel zou gaan werken. Bovendien zorgden de activiteiten voor een positieve impuls voor het toerisme in Oisterwijk en verhoogde de sympathie van de Oisterwijkse bevolking voor de Kunstkring.

Na het vertrek van de ingekwartierde troepen, richtte de Kunstkring zich weer op zaalvoorstellingen. De openluchtspelen werden tijdelijk opgeschoven.
In 1921 werd de draad van de openluchtspelen weer opgevat met de opvoering van het stuk "Jozef in Dothan". Tot in 1956 werden weer jaarlijkse spelen opgevoerd in de openlucht, die bezoekers uit alle delen van het land aantrokken. Aanvankelijk werden de rollen alléén door heren gespeeld. Vrouwenrollen werden geëlimineerd door bewerking tot mannenrollen. In 1924 richtte men zich tot de bisschop van 's-Hertogenbosch met het verzoek om ook twee dames een rol te mogen geven in het openluchtspel "Krelis Louwen" . Men verzekerde de bisschop dat "deze damesrollen zullen worden vervuld door zedelijk hoogstaande dames uit onze gemeente, in presentie van broeder en vader". Het antwoord was, ondanks deze toevoeging, negatief. Het was niet in overstemming met de gedragslijnen voor katholieke verenigingen en bovendien vreesde de bisschop dat het meespelen van dames de bezoekers "bloot zou stellen aan de vele verleidingen in onze bosschen".

Het bisschoppelijk verbod werd omzeild door de oprichting van een nieuwe vereniging "De spelers van het Oisterwijkse openluchttheater" waar ook niet-kunstkringers zich bij konden aansluiten. In 1928 werd voor het eerst gemengd gespeeld.
In 1935 werd in de prachtige tuin van de "Mariahof" in de Dorpsstraat het mysteriespel "Die Sevenste Bliscap onser Vrouwen" opgevoerd. Dit spel werd ten tonele gebracht in verband met de Mariafeesten: het zilveren feest van de opnieuw ten troonverheffing van Onze Lieve Vrouw van Mirakelen ter Linde, de Vreugderijke Vrouw en van Oisterwijk, beschermvrouwe van de Kunstkring. Het zijn deze voorstellingen geweest die de stoot gaven tot de bouw van het huidige openluchttheater door de gemeente Oisterwijk, dat in 1936 werd geopend. Het Romeinse theater van Orange heeft als model gestaan .